inleiding

INLEIDING

De Groote Oorlog is voorbij. Het land ontwaakt uit een lange nachtmerrie, waarvan de omvang zelfs als wildste doemscenario niet voorstelbaar was. De overlevenden ervaren een dubbel gevoel: eerst en vooral de opluchting dat alles voorbij is, maar daarnaast ook de droefheid om de vele slachtoffers, om over het materiële maar te zwijgen. De herdenking kan beginnen. En dat gebeurt meteen.

2014-2018. De grote slachting van honderd jaar geleden werd tijdens de vier voorbije jaren herdacht met een aaneenschakeling van evenementen, tentoonstellingen en arrangementen. De emotie schoot er wat bij in. De toeristische sector heeft het laken resoluut naar zich toe getrokken en hoopt op de ingeslagen weg verder te gaan. De terechte blikvangers werden goed in de schijnwerper geplaatst: het Koning Albert I-monument in Nieuwpoort, de IJzertoren in Diksmuide, het Treurende Ouderpaar van Käthe Kollwitz, de Menenpoort in Ieper, om er maar enkele te noemen.

Maar de herdenking zoals ze door de tijdgenoten bedoeld was, reikte veel verder, besloeg heel het land. Elke stad, elk dorp, elk gehucht had geleden onder de oorlog. Overal waren er slachtoffers te betreuren en iedereen was het er spontaan over eens dat hun offer niet vergeten mocht worden. Monumenten werden opgericht, herdenkingsplaten en glasramen ingehuldigd, vredesbomen geplant. Dat patrimonium is alomtegenwoordig, maar blijft tot op vandaag onderbelicht. Een herontdekking is aan de orde, want dit is openbaar kunstbezit in de meest strikte zin van het woord.

De oogst is rijk, maar ongelijk. Goede bedoelingen komen niet altijd uit de verf en sommige monumenten blinken uit door pretentie of gebrek aan kwaliteit. Daartegenover staat het werk van talentvolle kunstenaars die het beste van zichzelf gegeven hebben en wier emotie authentiek was.

De tegenstanders van oorlog en geweld komen spijtig genoeg niet aan bod. Zij waren er wel, een minderheid, en hun stem klonk minder luid. Frans Masereel, Albert Daenens en enkele anderen drukten hun genadeloze kritiek uit in beklijvende grafiek. Hun oprechte verontwaardiging verdient het ooit op passende wijze belicht te worden.

Inhoud

  • De herinnering levendig houden
  • Wie of wat herdenken?
  • Tien kunstenaars en hun monumenten
  • Iconografie en symboliek
  • Markante monumenten
  • Thema ad infinitum
  • Praktisch
Affiche van de Belgische Spoorwegen, verspreid in 1918, onmiddellijk na de bevrijding, ontworpen door J. Sentrein en gedrukt door J.-E. Goossens in Brussel, chromolithografie, 89 x 65 cm ©

Affiche van de Belgische Spoorwegen, verspreid in 1918, onmiddellijk na de bevrijding, ontworpen door J. Sentrein en gedrukt door J.-E. Goossens in Brussel, chromolithografie, 89 x 65 cm © COLLECTIE IN FLANDERS FIELDS MUSEUM, IEPER

HERINNERING LEVENDIG HOUDEN

De wapens zwijgen, de herdenking kan beginnen. Maar eerst is er de nieuwsgierigheid. Jarenlang heeft men geleefd met op de achtergrond het geluid van het front, dat soms om onverklaarbare reden sterk kon toenemen en dan weer tot een onaangenaam gerommel terugviel. Wat was daar al die tijd aan de hand? Hoe zag het frontgebied eruit? Waar had een familielid gestreden of was het omgekomen? Liefst met eigen ogen zien, om niet te vergeten. Het fronttoerisme is geboren, al moet die beweging niet overdreven worden. Families willen in de eerste plaats het graf van een gesneuvelde verwante bezoeken; de overheid zorgt voor gratis vervoer, maar enkel voor de dichtste familie.

Het zijn vooral de Britten die actief de slagvelden komen bezoeken. Logisch ook: de overgrote meerderheid van hun gesneuvelden werd vlak bij het front begraven. Repatriëring was geen optie, dus kwamen zij hier hun doden gedenken. Ieper dat uit zijn puin herrijst, is hun uitvalbasis.

EEN THEMA VOOR KUNSTENAARS

De verwoeste gewesten worden voor enige tijd een populair thema voor kunstenaars. De meeste zijn pleinairisten, artiesten die bij voorkeur de natuur en haar wondere verschijningsvormen ter plekke op doek komen vastleggen. Wat zij te zien krijgen is overweldigend; niets herinnert aan het oorspronkelijk landschap: de kaalgeplukte bomen, de omgewoelde velden, de stinkende bomkraters, de vernielde monumenten, de vermoorde natuur. Veel moois is er niet te zien, maar het is wel uniek. De kunstenaars nemen het gretig in zich op: Franz Courtens, Modest Huys, Louis Clesse, om er maar enkele te noemen. Die naoorlogse productie kent een kortstondig succes, net als de werken van de kunstenaars die het aan het front van dichtbij hebben meegemaakt.

Een geval apart is het IJzerpanorama van Alfred Bastien (zie blz. 8-9). Het reusachtig doek dat een synthese brengt van de gevechten langs de IJzer, is een echte publiekstrekker, eerst in Brussel en vanaf 1924 in een speciaal ervoor ontworpen gebouw in Oostende. Voor de Britse toeristen is het, bij hun aankomst op het vasteland, een ideale inleiding tot hun bezoek aan het vroegere frontgebied. Maar tegen het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is ook hier de interesse flink teruggelopen. Belangstelling met een meer duurzaam karakter ligt elders: gedenken om niet te vergeten.

De herinneringsmonumenten aan de oorlog, aan haar helden en slachtoffers zullen het beeld van onze dorpen en steden blijvend veranderen. Elke plek, hoe klein ook, heeft voortaan zijn dodenmonument, bescheiden of groots, al dan niet religieus of politiek getint.

Ligue Nationale du souvenir

Gedenkplaat van de Ligue nationale du Souvenir aan het Koning Albert I monument in Nieuwpoort: “Gedurende achtendertig jaar heeft het Nationaal Herinneringsverbond de jaarlijkse nationale bedevaart der oud-strijders op de sluizen van de IJzer ingericht en beschermd”

Gedenkplaat van de Ligue nationale du Souvenir aan het Koning Albert I monument in Nieuwpoort: “Gedurende achtendertig jaar heeft het Nationaal Herinneringsverbond de jaarlijkse nationale bedevaart der oud-strijders op de sluizen van de IJzer ingericht en beschermd”

Dit is een nieuw gegeven. Voor de oorlog bestonden wel enkele monumenten van helden (de gesneuvelden van 1830 en van de Boerenkrijg, Lippens en de Bruyn) of slachtoffers van rampen (schoolschip Comte De Smet De Naeyer), maar hier was de schaal helemaal anders. Elke gemeente, elk gehucht heeft zijn oorlogsslachtoffers. Bovendien ging het om een oorlog waarin wij aan de kant van de overwinnaars stonden. Dat mocht ook in de verf worden gezet. Gedaan met de slachtofferrol zoals in 1914: Brave little Belgium. Doorheen heel de herdenking zal het dubbel gevoel nooit afwezig zijn. De overwinning wordt gevierd, zonder overdreven uitbundigheid; de vreugde om het lijfsbehoud wordt overschaduwd door het rouwen om de slachtoffers.

Er bestaat een unaniem gevoel dat de herinnering aan de voorbije gebeurtenissen op passende wijze gestalte moet krijgen. Het is evenwel niet het leger dat hierbij het voortouw neemt. De initiatiefnemers zijn particulieren, gemeentebesturen en vaderlandslievende verenigingen. De Ligue nationale du Souvenir (Nationaal Herinneringsverbond) is hierin veruit de meest actieve. Zij werd opgericht in 1919 en stond aanvankelijk onder het voorzittershap van Omer Lepreux, vicevoorzitter van de Nationale Bank. Erevoorzitters waren kardinaal Mercier, de Brusselse burgemeester Adolphe Max en generaal Leman, de held van Loncin.

Zij wil de herinnering levendig houden aan de heldendaden van soldaten en burgers, aan de doorstane beproeving en aan de gruweldaden van de vijand.

In haar Bulletin officiel van september 1919 formuleert de Ligue Nationale du Souvenir haar doelstellingen. Zij wil de herinnering levendig houden aan de heldendaden van soldaten en burgers, aan de doorstane beproeving en aan de gruweldaden van de vijand. Concreet houdt dit in: het houden van herdenkingen en plechtigheden op slagvelden en begraafplaatsen; het opzetten van tijdelijke tentoonstellingen, het oprichten van musea, de bescherming van slagvelden en belangrijke sites. Heel concreet richt zij een oproep tot beeldende kunstenaars en schrijvers. Aan hen de taak om via inspirerende werken een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Als organisatie bestaat de Ligue Nationale du Souvenir uit drie afdelingen: schrijvers, kunstenaars en economisten. Aan het hoofd van de artistieke afdeling staat beeldhouwer Pieter Braecke. Leden zijn componist August De Boeck, beeldhouwer Paul Du Bois, schilders Auguste Oleffe en Gisbert Combaz, architect Paul Saintenoy. De artistieke afdeling zal ontwerpen verzamelen en op hun kwaliteit beoordelen. Van de kunstenaars wordt verwacht dat zij degelijk, maar betaalbaar werk aanbieden. Streefdoel is een kostprijs die lager ligt dan 10.000 Belgische Frank. Als aanmoediging worden premies uitgelooft ter waarde van 300 Frank voor de twintig beste ontwerpen.

In de loop van het jaar 1919 worden alle burgemeesters van het land aangeschreven om hen aan te moedigen oorlogsmonumenten op te richten. De artistieke afdeling biedt meteen haar diensten aan om als tussenpersoon tussen de gemeentebesturen en de kunstenaars op te treden. Het zijn inderdaad de gemeentebesturen die meestal voor de concrete invulling van het herdenkingsprogramma zullen zorgen. De oproep wordt gunstig onthaald, maar op tal van plaatsen waren al spontaan initiatieven opgestart. De Ligue zet zich actief in om die te kanaliseren. Vermeldenswaardig is wel hetgeen in Beersel gebeurde. Brouwer en kunstmecenas François Van Haelen, steun en toeverlaat van de Brabantse Fauvisten, is iedereen te vlug af en bekostigt uit eigen vermogen het plaatselijke oorlogsmonument.

DEMARCATIEPALEN EN BEDEVAARTEN

Demarcatiepaal nr. 11 in Stuivekenskerke met het opschrift in het Nederlands, Frans en Engels dat hier de overweldiger tot staan werd gebracht, roze graniet, hoogte 1,25 cm

Demarcatiepaal nr. 11 in Stuivekenskerke met het opschrift in het Nederlands, Frans en Engels dat hier de overweldiger tot staan werd gebracht, roze graniet, hoogte 1,25 cm

Op een meer bescheiden schaal dan de Ligue Nationale du Souvenir heeft de Touring Club de Belgique eveneens actief bijgedragen tot de herdenking van de Groote Oorlog. De Touring Club publiceert gedetailleerde gidsen van de slagvelden en bekostigt met eigen middelen en via donaties het plaatsen van demarcatiepalen langs de frontlijn. Hiermee sluit zij aan bij een actie waarvoor haar Franse zustervereniging, de Touring Club de France de grote middelen inzette; een idee trouwens van een Franse oud-strijder en beeldhouwer. De demarcatiepalen hebben de vorm van een afgeknotte piramide bekroond met een helm en een lauwerenkrans. Zij worden opgesteld op die plekken waar de Duitse inval tot staan werd gebracht.

Niet iedereen is gelukkig met de overheersende francofone toon van de herdenkingen. De Vlaamse Oud-strijdersbond (VOS) ontstaat medio 1919 en legt meteen andere klemtonen dan de Ligue en de Touring Club. Hij focust op het lijden van de Vlaamse frontsoldaat, dat verergerd werd door het onbegrip of de onwil van zijn oversten. Gelijkberechtiging is de enige echte vorm van herdenken. Rond 1930 radicaliseert de toon en krijgt antimilitarisme zelfs de bovenhand. De VOS organiseert bedevaarten naar de graven aan de IJzer. Hij neemt ook initiatieven voor het plaatsen van gemeentelijke monumenten; dat is onder meer het geval in Oostduinkerke met een monument van beeldhouwer Oscar Jespers.

Oscar Jespers (beeldhouwer) en Pierre Vandervoort (architect), monument voor de burgerlijke en militaire oorlogsslachtoffers, Sint-Niklaasplein, Oostduinkerke, inhuldiging 17 augustus 1924

Oscar Jespers (beeldhouwer) en Pierre Vandervoort (architect), monument voor de burgerlijke en militaire oorlogsslachtoffers, Sint-Niklaasplein, Oostduinkerke, inhuldiging 17 augustus 1924

Charles Samuel, De Brabançonne, origineel in stuc op de Grote Markt in Brussel ter gelegenheid van de Blijde Intrede van koning Albert I op 22 november 1918

Charles Samuel, De Brabançonne, origineel in stuc op de Grote Markt in Brussel ter gelegenheid van de Blijde Intrede van koning Albert I op 22 november 1918

KIEZEN UIT DE CATALOGUS

Het mag duidelijk zijn dat kunstenaars al tijdens de oorlog over mogelijkheden nagedacht hebben om hun vaderlandsliefde of hun respect voor de gesneuvelden via beelden uit te drukken. Dat blijkt al op 22 november 1918. Die dag houden onze vorsten hun Blijde Intrede in Brussel aan het hoofd van het zegevierende leger. Langs het parcours van de optocht staan tien tijdelijke beeldhouwwerken opgesteld. Het zijn monumentale werken uitgevoerd in stuc: symbolische voorstellingen, ophemeling van heldenmoed en patriottische bevlogenheid, hulde aan gesneuvelden, waaronder Edith Cavell (zie blz. 9-10). Fijntjes merkt kunstcriticus Sander Pierron op dat de kunstenaars blijkbaar niet hebben stilgezeten tijdens de Duitse bezetting. De toon van de herdenking is gezet. Het mag groots, het mag heroïsch, maar er is ook plaats voor ingetogenheid en rouw. Van de meeste van die beelden is niets overgebleven behalve de foto’s die op die memorabele dag gemaakt zijn en de enthousiaste beschrijvingen in de pers.

Slechts één beeld zal later in brons worden gegoten. Het is De Brabançonne van Charles Samuel, op het Surlet de Chokierplein in Brussel (zie ook blz. 21). Het origineel in stuc stond plompverloren op de Grote Markt met een veel te opzichtig voetstuk, maar het stal er toch de show.

Catalogus uit mei 1922 van de firma Edouard Rombaux-Roland met een grote keuze aan herdenkingsmonumenten

Catalogus uit mei 1922 van de firma Edouard Rombaux-Roland met een grote keuze aan herdenkingsmonumenten

Het is onbegonnen werk om alle kunstenaars op te lijsten die oorlogsmonumenten hebben geproduceerd. Naast artiesten met naam en faam, gingen vooral veel tweederangsfiguren aan de slag en zelfs plaatselijke steenkappers. Veel had met de budgettaire armslag van de gemeenten te maken en met de gulheid van plaatselijke sponsors. François Van Haelen in Beersel was niet de enige milde schenker.

Wie het zich niet al te moeilijk wilde maken raadpleegde gewoon een catalogus van een gespecialiseerde firma. Edouard Rombaux-Roland uit Jeumont, département du Nord, was zo’n bedrijf, een Franse onderneming met een sterke Belgische connectie en met eigen steengroeven in ons land, te Ecausinnes en Zinnik. In haar catalogus biedt zij een uitgebreide gamma aan monumenten aan, variaties op alle mogelijke iconografische thema’s voor ieders beurs, uitvoering naar keuze in steen of in brons. De producten van Edouard Rombaux-Roland vinden massaal afzet in Frankrijk en ook bij ons.

bastien

Rechts: Affiche van de Belgische Staatsspoorwegen die oproept om in Oostende het ‘wonderbare’ IJzerpanorama van Alfred Bastien te bezoeken, met een stempel van de Belgisch-Luxemburgse Vereniging van Toerisme (30 juli 1922), kleurenlithografie, 1045 x 770 mm

Links: Alfred Bastien voert koningin-verpleegster Elisabeth op in zijn IJzerpanorama

Het IJzerpanorama opgehangen in de Luchtvaarthal van het Legermuseum, geschilderd door Léopold Wattecamps, lid van het team van Bastien dat de dringende restauratie in juni 1951 afwerkte

Het IJzerpanorama opgehangen in de Luchtvaarthal van het Legermuseum, geschilderd door Léopold Wattecamps, lid van het team van Bastien dat de dringende restauratie in juni 1951 afwerkte

ALFRED BASTIEN EN DE PANORAMA’S

Alfred Bastien, een aanhanger van het pleinairisme, genoot al enige vermaardheid door zijn panorama van Kongo, dat te zien was op de Wereldtentoonstelling in Gent in 1913. Al tijdens de oorlog, en op aanmoediging van koning Albert en zijn entourage, begint hij te werken aan een groots panorama dat een synthese wil zijn van de strijd aan de IJzer. De praktische verwezenlijking is een huzarenstuk. Voor het beschilderen van het reusachtige doek van 115 bij 14 meter roept Bastien de hulp in van bevriende kunstenaars: Charly Léonard, Charles Swyncop en Jef Bonheur. Zij beschikken in het Jubelpark in Brussel over het ronde gebouw van het panorama van Kaïro van Emile Wauters, vandaag het Islamitisch Centrum van Brussel. Na twaalf maanden is het werk af en in mei 1921 verhuist het naar een rotonde aan de Camille Lemonnierlaan in Brussel. De publieke belangstelling is groot, mede dankzij een goed gevoerde marketing. In 1924 krijgt het een nieuw onderkomen in een daartoe speciaal gebouwd paviljoen in Oostende. Dit wordt in 1940 per vergissing gebombardeerd. Na de Tweede Wereldoorlog keert het gehavend panorama terug naar Brussel. Tot 1980 hangt het in de Luchtvaarthal van het Legermuseum, maar het takelt af en wordt uiteindelijk opgeborgen. Een geanimeerde reproductie ervan is te zien in Westfront in Nieuwpoort en komt daar goed tot zijn recht. Het valt te betwijfelen of het origineel nog ooit getoond zal worden.

Het centrale punt van waaruit de compositie bedacht werd is het sluizencomplex in Nieuwpoort, dus vlak bij de plaats waar het werk nu te zien is. Het uitgebeelde tijdstip is dat waarop de verzwakkende Belgische verdedigers door Franse troepen worden ondersteund. De onderwaterzetting is pas begonnen, maar de resultaten zijn al hier en daar merkbaar. Technisch gezien is dit geen echt panorama, zoals het panorama Mesdag in Den Haag of het panorama van Waterloo, waar de omgeving vanuit een enkel standpunt overschouwd wordt. Bastien combineert en toont niet enkel de toestand in Nieuwpoort, hij toont ook de Noordzee en de duinen, Diksmuide en de brandende monumenten op de Grote Markt van Ieper.

Volledigheidshalve nog vermelden dat Bastien een tweede oorlogspanorama heeft geschilderd. Het stelt de gevechten aan de Maas voor, tussen Namen en Dinant. Het werk was van 1937 tot 1940 te zien in de citadel van Namen. Het liep schade op tijdens de oorlog en werd in 1952 door de stad Namen aan het Legermuseum geschonken. Daar werd het gerestaureerd en nadien opgeborgen.

WIE OF WAT HERDENKEN?

DE GESNEUVELDEN

Egide Rombaux (beeldhouwer), gedenkteken voor Gabrielle Petit, Sint-Jansplein, Brussel, inhuldiging 21 juli 1923

Egide Rombaux (beeldhouwer), gedenkteken voor Gabrielle Petit, Sint-Jansplein, Brussel, inhuldiging 21 juli 1923

Ongetwijfeld, gaan de gedachten eerst en vooral uit naar de jongens uit eigen dorp of stad die niet terugkwamen. Deze monumenten zijn het talrijkst, gaande van eenvoudige plaketten of gedenktafels, via gedenkzuilen of cenotafen met funeraire inslag, tot heuse monumenten of monumentale beeldengroepen.

Jarenlang wordt aan een groots nationaal gedenkteken gedacht, oeverloos wordt gepalaverd over de plaats ervan, over de vormgeving, over de prijs. Uiteindelijk wordt ervan afgezien en in de plaats komt een valabel alternatief uit de bus: het Graf van de Onbekende Soldaat aan de voet van de Congreskolom.

Camille Vande Capelle (beeldhouwer), Karel Van der Beken (architect) en Karel Vindevogel (bronsgieter), monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog (detail), Gemeenteplein, Asse, inhuldiging 29 mei 1921

Camille Vande Capelle (beeldhouwer), Karel Van der Beken (architect) en Karel Vindevogel (bronsgieter), monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog (detail), Gemeenteplein, Asse, inhuldiging 29 mei 1921

DE OVERWINNING

Sommige monumenten dragen duidelijk de stempel van de militaire triomf: Nikè, de godin van de overwinning, beloont of bekroont de overwinnaar of eert het slachtoffer. Soms is het de soldaat die een overwinningsgebaar maakt en de overwinningskrans in de hoogte steekt.

De soberste monumenten zijn nog de herinneringsbomen die bij die gelegenheid geplant worden, al dan niet in de buurt van een oorlogsmonument.

Pieter-Jan Braecke (beeldhouwer), portretmedaillon van Hendrik Geeraert, ‘de held der overstroming’, in 1925 geïntegreerd in de gedenkzuil voor de militaire doden en oud-strijders (architect: Ferdinand Schoup), stedelijke begraafplaats, Nieuwpoort

Pieter-Jan Braecke (beeldhouwer), portretmedaillon van Hendrik Geeraert, ‘de held der overstroming’, in 1925 geïntegreerd in de gedenkzuil voor de militaire doden en oud-strijders (architect: Ferdinand Schoup), stedelijke begraafplaats, Nieuwpoort

HELDENDADEN

Individueel of collectief, burgers evengoed als militairen. Het monument van Gabrielle Petit, een werk van Egide Rombaux, krijgt een prominente plaats in het straatbeeld, midden op het Sint-Jansplein in Brussel. De iconografie is vrij traditioneel: de heldin in heroïsche houding op een voetstuk geplaatst.

Heel anders is het beeld van Paul Du Bois voor de verpleegsters Edith Cavell (terechtgesteld) en Marie Depage (omgekomen aan boord van de Lusitania). Hier buigen zich twee figuren (de Tijd en de Roem, wellicht) over een cenotaaf met de naam van de twee heldinnen. De locatie is ook goed gekozen: tegen de gevel van de verpleegstersschool die Edith Cavell runde, samen met Dokter Lepage, echtgenoot van Marie.

Het monument ter ere van korporaal Trésignies is een eenvoudige stenen tafel met opschrift, vlak bij de plaats van zijn heldendaad, op de oever van het kanaal in Verbrande Brug (Grimbergen).

De herinnering aan Hendrik Geeraert, de man die de polders onder water zette, valt wat mager uit: een plaket op het oorlogsmonument op de begraafplaats van Nieuwpoort. Na de Tweede Wereldoorlog wordt die nalatigheid op grootse manier weggewerkt. Zijn beeltenis prijkt op het duizendfrankbriefje, in de eeuwfeestreeks die de Nationale Bank in 1950 uitbrengt. Samen met politicus Frère-Orban is hij zo de enige niet-koninklijke persoon die die eer te beurt valt.

Paul Du Bois (beeldhouwer), monument voor Edith Cavell en Marie Depage, Edith Cavellstraat, Ukkel, inhuldiging 15 juli 1920

Paul Du Bois (beeldhouwer), monument voor Edith Cavell en Marie Depage, Edith Cavellstraat, Ukkel, inhuldiging 15 juli 1920

BEPROEVINGEN

Hier komt de klemtoon vooral te liggen op de burgerbevolking. Zij kreeg het in de eerste weken van de Duitse inval bijzonder hard te verduren. De daaropvolgende bezetting is allerminst een pretje, een tijd vol onzekerheid en ontberingen, blootgesteld aan willekeur, deportatie en zelfs terechtstelling. Meestal wordt de vluchtende bevolking uitgebeeld in beeldengroepen of op bas-reliëfs als tegenhanger van lijdende soldaten. Geen bevolkingsgroep wordt gespaard door het oorlogsgeweld.

Heel het verhaal van lijden en verwoesting van Leuven wordt verteld op het Martelarenmonument; dat ook als een baken fungeert (zie blz. 31-32). Er wordt niet enkel stilgestaan bij het ondergane leed, er wordt ook naar de toekomst gekeken. De bekroning verwijst naar de overwinning en naar de wedergeboorte van de stad die uit haar puin herrijst. Met de bouw van een nieuwe bibliotheek door de Amerikaanse architect Whitney Warren, gefinancierd door de gulle steun van Amerikaanse universiteiten, wordt ook een signaal van vitaliteit uitgezonden.

Theo Blickx (beeldhouwer), De vlucht voor het oorlogsgeweld, Schuttersvest, Mechelen, inhuldiging 1923

Theo Blickx (beeldhouwer), De vlucht voor het oorlogsgeweld, Schuttersvest, Mechelen, inhuldiging 1923

Geen bevolkingsgroep wordt gespaard door het oorlogsgeweld.
puinruimer + monument

Rechts: Monument voor de slachtoffers van de ‘doodendraad’, opgericht tussen Teuven en Sippenaeken in 1920, beschadigd door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog en gerestaureerd in 1962

Links: Antoon Van Parys (beeldhouwer), De puinruimer, Sint-Poppoplein, Deinze, inhuldiging 8 oktober 1922 FOTO ©ERFGOEDCEL LEIE-SCHELDE

In Mechelen stelt een monument een vluchtende moeder met haar kinderen voor, een sereen en tijdloos werk van Theo Blickx, de leermeester van Rik Wouters. In Deinze wordt dan weer een ander facet belicht. Hier wordt hulde gebracht aan de puinruimers, weer een aanzet tot een nieuwe start. Het is een werk van Antoon Van Parys.

Een geval apart staat in de Voerstreek, op de grens tussen Teuven en Sippenaeken. Het brengt hulde aan de slachtoffers van de elektrische draad (‘den doodendraad’) langs de grens met Nederland. In dezelfde omgeving is het ook uitkijken naar een orthodox kruis opgericht als herinnering aan Russische krijgsgevangenen die omkwamen tijdens een vluchtpoging naar het neurale Nederland.

infanterie
Edouard Vereycken (beeldhouwer) en Antoon De Mol (architect), monument ter ere van de Belgische infanterie, Poelaertplein, Brussel, inhuldiging 1935

Edouard Vereycken (beeldhouwer) en Antoon De Mol (architect), monument ter ere van de Belgische infanterie, Poelaertplein, Brussel, inhuldiging 1935

vits + postduif

Rechts: Jules Vits (beeldhouwer), beeldengroep poortomlijsting ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het 2de Linieregiment, met vermelding van de plaatsen waar het regiment tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft gevochten, Leopoldkazerne, Gent, inhuldiging 1930 © KIK-IRPA, BRUSSEL

Links: Victor Voets (beeldhouwer), monument ter ere van de militaire postduif, Pantsertroepensquare, Brussel, inhuldiging maart 1931

nieuwpoort + antwerpen

Boven: Julien De Ridder (architect) en Karel Aubroeck (beeldhouwer van het ruiterstandbeeld en de allegorische voorstellingen in bas-reliëf), monument als hulde aan alle Belgische frontsoldaten en hun aanvoerder, de koning-ridder, Kustweg (Sluizencomplex De Ganzepoot), Nieuwpoort, inhuldiging 24 juli 1938 FOTO: SASKIA VANDERSTICHELE

Onder: Edward Deckers (beeldhouwer) en Compagnie des Bronzes Bruxelles (bronsgieter), monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, hoek Rubenslei en Van Eycklei aan de rand van het Stadspark, Antwerpen, inhuldiging 21 april 1930 FOTO: VISIT ANTWERPEN

MILITAIREN

Monumenten ter ere van individuele veldheren zijn de uitzondering. Het zijn vooral legereenheden of specifieke regimenten die geëerd worden. Het grootste monument is wel dat ter ere van de infanterie op het Poulaertplein vlak bij het justitiepaleis in Brussel. Voor de liefhebbers van militaire uitrustingen en uniformen is het een must; zelfs de mitrailleurs getrokken door een hondenspan staan er op uitgebeeld.

De meeste monumenten hanteren een voorspelbare beeldtaal. Toch springen enkele in het oog. In de Gentse Leopoldkazerne werd het monument voor het 2de en 22ste linieregiment rondom een van de kazernepoorten aangebracht.

Ook het vermelden waard is het beeld van een jonge vrouw met een fladderende duif op haar hand: het is het monument ter ere van de militaire postduif en in tweede instantie van de gesneuvelde duivenliefhebbers.

Domien Ingels (beeldhouwer) en Jan-Albert De Bondt (architect), ruiterstandbeeld van koning Albert I, Koning Albertpark (Zuidpark), Gent, inhuldiging 9 mei 1937 STAD GENT, DE ZWARTE DOOS, STADSARCHIEF

Domien Ingels (beeldhouwer) en Jan-Albert De Bondt (architect), ruiterstandbeeld van koning Albert I, Koning Albertpark (Zuidpark), Gent, inhuldiging 9 mei 1937 STAD GENT, DE ZWARTE DOOS, STADSARCHIEF

KONING ALBERT

Zijn de veldheren niet echt populair, koning Albert is het des te meer. Tegen wil en dank wordt hij keer op keer als oorlogsheld opgevoerd, te paard en in uniform, hij die allesbehalve een goede ruiter was en zeker geen houwdegen. Hij heeft die vedettecultus lijdzaam ondergaan. Plaatselijk kan de invulling van het programma nogal verschillen. Tegenover de haast melancholische rust van Domien Ingels’ beeld in Gent, straalt het beeld aan het Antwerpse stadspark trots en strijdlust uit. Edward Deckers toont ons een vastberaden koning met getrokken zwaard, gezeten op een hitsig ros.

Bekroning van die verering van de Koning-Ridder is het Albert I-monument in Nieuwpoort. Hier krijgen wij een verstilde interpretering: een statische uitbeelding, verwijzend naar de klassieke Oudheid. Maar, o schande, Karel Aubroeck heeft de koning zonder helm uitgebeeld! De oud-strijdersbonden zijn diep geschokt.

Victor Voets (beeldhouwer) en Herman Voets (architect), gedenkteken voor de foorreizigers eervol gesneuveld voor het vaderland, Luchtvaartsquare, Anderlecht, inhuldiging 1924

Victor Voets (beeldhouwer) en Herman Voets (architect), gedenkteken voor de foorreizigers eervol gesneuveld voor het vaderland, Luchtvaartsquare, Anderlecht, inhuldiging 1924

SPECIFIEKE GROEPEN

De oorlog heeft in alle geledingen van de maatschappij slachtoffers gemaakt. Het is een jaarlijkse traditie dat bij het begin van de Brusselse kermis een bloemenhulde wordt gebracht aan het monument van de overleden foorreizigers. Het is een bijzonder stijlvol werk van Victor Voets. Het stelt een man voor in Pierrot verkleed. Zijn ene hand steunt op een zwaard, in de andere houdt hij een masker. Beide attributen zijn verguld, beide attributen zijn even belangrijk.

In het Zoniënwoud goot kunstenaar Richard Viandier de huldiging aan elf gesneuvelde boswachters in een opmerkelijke vorm. Hij legde een megalithische site aan, een cromlech van elf menhirs rondom een portiek bestaande uit twee megalieten bekroond met een dwarssteen.

Richard Viandier (beeldhouwer), gedenkteken in de vorm van een cromlech voor de 11 gesneuvelde boswachres, Grasdellepad, Zoniënwoud, Ukkel, inhuldiging 30 mei 1920

Richard Viandier (beeldhouwer), gedenkteken in de vorm van een cromlech voor de 11 gesneuvelde boswachres, Grasdellepad, Zoniënwoud, Ukkel, inhuldiging 30 mei 1920

Aan de Olympialaan in Sint-Andries houdt een sober monument de herinnering levendig aan de gesneuvelde spelers van Cercle Brugge.

In Gent treft men opvallend veel kleinere monumenten aan voor de gesneuvelden van een specifieke buurt. Herinneringsplaketten aan omgekomen parochianen of plaatselijke geestelijken sieren kerkmuren. Op dezelfde wijze eren scholen hun omgekomen leerkrachten en oud-leerlingen.

molenaars

Gedenkplaat van ‘de geburen der wijk Molenaars en aanpalende straten aan hunne helden’ aan de muur van het Klooster van de Zusters van Liefde, Molenaarstraat, Gent

Het Onze-Lieve-Vrouwehoekje in Stuivekenskerke (Diksmuide) met de kapel Onze-Lieve-Vrouw ter Zege (1925) en het monument voor de gesneuvelden van de 1ste en 2de bataljons karabiniers ‘wielrijders’

Het Onze-Lieve-Vrouwehoekje in Stuivekenskerke (Diksmuide) met de kapel Onze-Lieve-Vrouw ter Zege (1925) en het monument voor de gesneuvelden van de 1ste en 2de bataljons karabiniers ‘wielrijders’

De kapel Onze-Lieve-Vrouw ter Zege met de glasramen ter ere  van minderbroeder-artillerist Martial Lekeux

De kapel Onze-Lieve-Vrouw ter Zege met de glasramen ter ere van minderbroeder-artillerist Martial Lekeux

LOCATIES EN SLAGVELDEN

Het is te begrijpen dat de gruwel van de frontstreek tot de verbeelding spreekt en dat de oud-strijders ten minste fragmenten van het slagveld willen bewaren voor het nageslacht. De grootste plannen van vlak na de oorlog worden vlug opgeborgen en moeten wijken voor de economische realiteit. 

Op beperkte schaal worden relicten bewaard, sites voor bezoekers opengesteld, maar de instandhouding is problematisch. De natuur heeft immers haar eigen manier om met de herinnering om te gaan: ze gomt ze uit.

De reusachtige kraters ontstaan door de mijnenslag in de Westhoek zijn honderd jaar na datum omgetoverd tot romantische vijvers in een groene omgeving. Terecht draagt die van Wijtschate de naam Pool of Peace.

De chaos rond Hill 60 bij Ieper, een stelling die keer op keer veroverd, verloren en heroverd werd door beide strijdende partijen, kan enkel nog opgeroepen worden door de vergelijkingsfoto’s op de infoborden aan de ingang van de bewaarde site.

Vijf symbolische executiepalen in het Oord er Gefusilleerden, Offerlaan, Gent, opgericht in 1920, officiële opening in 1932

Vijf symbolische executiepalen in het Oord er Gefusilleerden, Offerlaan, Gent, opgericht in 1920, officiële opening in 1932

Oud-Stuivekenskerke is een idyllische en vreedzame plek in de poldervlakte. Vier jaar lang was dit een vooruitgeschoven post omring door water, prikkeldraad en vijanden, bemand door enkele manschappen met aan hun hoofd de vrome minderbroeder-artillerist Martial Lekeux. De glasramen in de herdenkingskapel geven een geïdealiseerd beeld weer van hetgeen Lekeux hier heeft meegemaakt.

Op een glasraam zien wij hem met de verrekijker de desolate vlakte overschouwen; op een ander knielt hij in gebed voor een Mariabeeld. Naast hem een niet-geëxplodeerde granaat die hem zonder goddelijke tussenkomst het leven had gekost. Na de oorlog publiceert Martial Lekeux zijn herinneringen, jarenlang een bestseller. Aan de slag van Imde herinnert een cenotaaf, meer tref je op de uitgestrekte kouters niet aan.

Rond het Oord der Gefusilleerden te Gent hangt een beklemmende sfeer. Dat van Brussel wordt overschaduwd door het Omroepgebouw en hoge appartementsblokken. Geen enkele plek is meer indrukwekkend dan het puin van het fort van Loncin, met zijn kapotgeschoten stalen koepels, weggeblazen kanonnen en ingestorte casematten waaronder nog driehonderd slachtoffers rusten.

Joseph Diongre, gedenkteken voor de gesneuvelden van de Slag van Imde, Kouterbaan, Meise, inhuldiging 24 augustus 1920, foto tijdens de voorbereiding van opgravingen door Erfgoedkring Berla op de Imdekouter

Joseph Diongre, gedenkteken voor de gesneuvelden van de Slag van Imde, Kouterbaan, Meise, inhuldiging 24 augustus 1920, foto tijdens de voorbereiding van opgravingen door Erfgoedkring Berla op de Imdekouter

aarschot + ieper

Rechts: Pieter Braecke (beeldhouwer) en Victor Creten (architect), herdenkingsmonument, Grote Markt, Aarschot, inhuldiging 1 juli 1923 FOTO; TIJL VEREENOOGHE

Links: Aloïs De Beule (beeldhouwer) en Jules Coomans, monument voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, Coomansstraat, Ieper, inhuldiging 27 juni 1926

TIEN KUNSTENAARS EN HUN MONUMENTEN

Tientallen kunstenaars hebben zich ingelaten met het ontwerpen van oorlogsmonumenten. Voor sommigen is het de kans geweest om in de publieke ruimte te treden. Kunstenaars met naambekendheid hebben ook geprobeerd degelijk werk af te leveren, veelal inspelend op de wensen van hun opdrachtgevers.

Stilistisch domineert het realisme, dat door enkele grootheden in de academies wordt onderwezen. Toch vallen er hier en daar wel sporen van een meer hedendaagse inslag te merken. Zuivere art deco is zelden aanwezig, maar wel bespeurbaar in details: een bloementuil met knopvormige bloemen, een modieuze vrouwelijke haartooi. Het modernisme ontbreekt helemaal.

Tientallen kunstenaars hebben zich ingelaten met het ontwerpen van oorlogsmonumenten.
brussel+koksijde+vits

Rechts: Charles Samuel (beeldhouwer), De Brabançonne, Surlet de Chokierplein, Brussel, inhuldiging 16 november 1930

Midden: Egide Rombaux (beeldhouwer), gedenkteken voor de militaire en burgerlijke slachtoffers, hoek Robert Van Dammestraat-Louise Heggerplein, Koksijde, inhuldiging 4 augustus 1929

Links: Jules Vits (beeldhouwer), monument voor de gesneuvelden en burgerlijke slachtoffers, Heldenlaan, Zottegem, inhuldiging 25 september 1921 FOTO: TIJL VEREENOOGHE

PIETER BRAECKE (1858-1938)

In 1918 is Braecke zestig jaar oud. Hij heeft een oeuvre opgebouwd waarin inleving en expressiviteit een grote rol spelen. Hij bouwt voort op de negentiende-eeuwse traditie, met de Bruggeling Henry Pickery als eerste leermester. Nadien is hij werkzaam bij Paul De Vigne met wie hij samenwerkt aan het standbeeld van Breydel en De Coninck op de Grote Markt in Brugge. Een beeld van treurende vissersvrouwen wordt internationaal opgemerkt. Hij is bevriend met architect Victor Horta. Vier bas-reliëfs van zijn hand versieren de eetkamer van Horta’s huis. Horta bouwt Braeckes woonhuis met atelier. Ook voor oorlogsmonumenten werken zij samen, zowel voor het monument van de gesneuvelde in Nieuwpoort als voor het IJzermonument in dezelfde stad. In de monumenten in Aarschot en Oostende combineert Braecke losstaande beelden met verhalende bas-reliëfs.

ALOÏS DE BEULE (1861-1935)

Aloïs De Beule verwierf bekendheid met zijn beeld Het Ros Beiaard (in samenwerking met Domien Ingels), een blikvanger op de Wereldtentoonstelling in Gent in 1913, en met het Boerenkrijgmonument in Overmere. Zijn religieus geïnspireerd werk is meer traditioneel en vandaag veelal vergeten. Van zijn hand staan er oorlogsmonumenten in Zele, Sint-Amandsberg, Gavere, Ruiselede, Assenede, Oosteeklo en Ieper. Dit laatste beeld is een eigenaardig concept van losstaande beelden en brons-reliëfs gevat in een neobarokarchitectuur van Jules Coomans. Het geheel komt nogal statisch over: een decoratieve wand tegen een blinde muur. Het heeft ermee te maken dat aan het oorspronkelijk plan voor een herdenkingshal rond het monument geen gevolg werd gegeven.

CHARLES SAMUEL (1862-1938)

Het beroemdste werk van Charles Samuel is het monument van Tijl en Nele, ter ere van Charles De Coster aan de vijvers in Elsene. Hij werkt in de traditie van zijn leermeester Charles Van der Stappen. In 1930 werd onder grote belangstelling zijn beeld van De Brabançonne ingehuldigd, het ontwerp ervan was een publiekstrekker tijdens de feestelijkheden rond de intrede van de koninklijke familie in november 1918.

EGIDE ROMBAUX (1865-1942)

Ooit was hij assistent van Jef Lambeaux. Hij behaalde zowel de Godecharlesprijs als de Romeprijs. Hij is een van de toonaangevende beeldhouwers van de Belle Epoque. In de beelden die met de oorlog gerelateerd zijn, komt de zwierigheid van zijn stijl minder tot zijn recht. De onderwerpen lenen zich er eenmaal minder toe. Kwaliteit primeert evenwel, zelfs in het eenvoudig monument in Koksijde, een visserssloep die fier de baren doorklieft.

wervik + victor voets

Links: Jules Bernaerts (beeldhouwer), monument ter herdenking van de militaire en burgerlijke doden, Kerkplein, Wervik, inhuldiging 13 mei 1923, in 1965 werd het beeld verplaatst en op een eenvoudig voetstuk gezet, in 2014 werd het aan de achterkant van de Sint-Medarduskerk op een stenen plaat geplaatst FOTO: WILLY VEREENOOGHE

Rechts: Le Patriote Illustré van 3 februari 1924 bericht over de “belle manifestation patriotique” ter gelegenheid van de inhuldiging van het monument voor de foorreizigers van beeldhouwer Victor Voets

JULES VITS (1868-1935)

Hij is een tijd werkzaam in het atelier van Aloïs De Beule. Net als De Beule ontwerpt hij naast portretbustes religieus werk. Er zijn heel wat oorlogsmonumenten aan hem toe te schrijven: onder meer in Geraardsbergen, Zottegem, Aarsele, Achel en Overpelt. Zijn meest opmerkelijk ontwerp is dat ter ere van het 2de en 22ste linieregiment dat hij de vorm gaf van een poortomlijsting in de Leopolkazerne in Gent.

JULES BERNAERTS (1882-1957)

Een leerling van Charles Van Der Stappen. Hij realiseerde oorlogsmonumenten in sterk uiteenlopende stijlen in Melle, De Panne, Balen, Diest en Wervik. Sommige met sterk symbolistische inslag, andere met een meer intieme toets.

VICTOR VOETS (1882-1950)

Naast enkele eerder traditionele oorlogsmonumenten, onder andere in Anderlecht en Brussel, overtreft hij zichzelf in het monument ter ere van de foorreizigers.

PIERRE DE SOETE (1886-1948)

Tijdens zijn opleiding heeft hij contacten met Jef Lambeaux en Constantin Meunier. Na de oorlog werkt hij mee aan de decoratie van de nieuwe universiteitsbibliotheek in Leuven. Samen met architect Jules Brunfaut ontwerpt hij het opmerkelijk monument ter ere van de gevallen vliegeniers, aan de Rooseveltlaan in Brussel.

Geo Verbanck (beeldhouwer), gedenkteken voor de gesneuvelde soldaten en burgerlijke slachtoffers, Heldenplein, Dendermonde, inhuldiging 27 juli 1924

Geo Verbanck (beeldhouwer), gedenkteken voor de gesneuvelde soldaten en burgerlijke slachtoffers, Heldenplein, Dendermonde, inhuldiging 27 juli 1924

GEO VERBANCK (1881-1961)

Na een eerste opleiding bij Aloïs De Beule, gaat hij studeren aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent bij onder meer Louis Van Biesbrouck. Met zijn monument van de gebroeders Van Eyck in Gent oogst hij in 1912 succes en erkenning. Van zijn hand zijn de oorlogsmonumenten in Moerbeke-Waas, Lotenhulle, Lebbeke, Dendermonde, Sint-Gillis-Dendermonde en niet minder dan vijf monumenten in Gent. In de Necropolis in Grimde herinnert ons zijn in lindehout uitgevoerde Christusbeeld dat hij zijn loopbaan begon als houtbewerker en beeldensnijder.

Karel Aubroeck (beeldhouwer), reliëf op het Koning Albert Imonument in Nieuwpoort

Karel Aubroeck (beeldhouwer), reliëf op het Koning Albert Imonument in Nieuwpoort

KAREL AUBROECK (1894-1986)

Voor het Albert I-monument in Nieuwpoort ontwerpt hij zowel het ruiterbeeld als de bakstenen reliëfs. Zijn monumentale beelden aan de vier hoeken van de IJzertoren in Diksmuide zijn zuiver expressionistisch.

Pierre De Soete (beeldhouwer), monument ter ere van de gevallen vliegeniers, Franklin Rooseveltlaan, Brussel, inhuldiging 6 juni 1926

Pierre De Soete (beeldhouwer), monument ter ere van de gevallen vliegeniers, Franklin Rooseveltlaan, Brussel, inhuldiging 6 juni 1926

ICONOGRAFIE EN SYMBOLIEK

Jules Fonteyne (beeldhouwer), praalboog ter herinnering aan de Eerste Wereldoorlog, Kartuizerinnenstraat, Brugge, inhuldiging 23 september 1929

Jules Fonteyne (beeldhouwer), praalboog ter herinnering aan de Eerste Wereldoorlog, Kartuizerinnenstraat, Brugge, inhuldiging 23 september 1929

Overal werd gestreefd naar een waardige vorm van herdenken, of het nu om de gesneuvelden ging, de overwinning of de dankbaarheid voor het redden van het vege lijf. In die samenhang is het opvallend dat het motief van het Heilig Hart, een voorstelling van Jezus met het uitnodigend gebaar, niet enkel bij het dankbaarheidsmonument met religieuze inslag voorkomt, maar ook bij tal van gemeentelijke monumenten voor de gesneuvelden. Het zegt iets over de mentaliteit in het erg gelovige België van die dagen.

Maar die verwevenheid met het religieuze leidt soms tot wrijvingen. Zo kan in Brugge niet iedereen zich vinden in de inrichting van het herdenkingsmonument in de vroegere kapel van de kartuizerinnen aan de Oude Burg. Tot in de hoogste regionen worden alle registers van de diplomatie opengegooid. Het plan gaat uiteindelijk wel door, maar ter aanvulling wordt aan de straatzijde een boogconstructie toegevoegd.

De eenvoudigste monumenten grijpen terug naar de traditionele funeraire symboliek met palmen, rouwkransen, toortsen et cetera. Zij worden aangevuld met patriottische attributen zoals heraldische leeuwen, vaandels en gemeentewapens.

DE SOLDAAT

Hippolyte Le Roy (beeldhouwer), gedenkteken voor de militaire en burgerlijke slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, Heldenplein, Heist, inhuldiging 1921

Hippolyte Le Roy (beeldhouwer), gedenkteken voor de militaire en burgerlijke slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, Heldenplein, Heist, inhuldiging 1921

Meest voorkomend is uiteraard de figuur van de soldaat. In de catalogi van gespecialiseerde firma’s komt die in alle mogelijke varianten voor en zo treffen wij ze ook aan op het terrein.

De soldaat staand op zijn voetstuk, het geweer al dan niet in aanslag. Soms heft hij de armen in een blij gebaar van triomf, een hand omklemt een wapen de andere een zegenkrans. Draagt hij een vaandel, dan hangt daar ook een symboliek aan vast. De vlag staat voor het vaderland. Hier is er weer mogelijkheid tot variatie: hij neemt de vlag onder zijn hoede en toont zodoende dat hij het land ten alle koste zal verdedigen. In andere gevallen is de vlag beschermend rondom hem gedrapeerd en dat wil dan zeggen dat het vaderland hem verdedigt en eert. Wordt de soldaat als liggende figuur – of gisant – voorgesteld, dan is de symboliek met het vaandel nog duidelijker: het ligt als een lijkwade over hem heen.

Minder frequent zijn de voorstellingen van de soldaat in actie. In Heist-aan-Zee zien wij een soldaat schietend van achter een stapel zandzakjes. Naast hem ligt zijn kameraad, dood of zwaargewond. Het vaandel dat het slachtoffer omklemt ligt deels over hem heen. Solidariteit en wederkerigheid: de valide soldaat laat zijn geraakte collega niet in de steek; het vaandel dat door de soldaat beschermd wordt, dekt hem toe als hij geraakt wordt.

Bommershoven, een piepkleine deelgemeente van Borgloon, kan prat gaan op een van de meest ongewone oorlogsmonumenten. Op het dorpsplein is een heus imitatieslagveld nagebouwd: tussen in puin geschoten gebouwen ligt een soldaat in verdekte positie, turend in de verte.

M. Hollemans (ontwerper), monument voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, J. M. Derscheidlaan, Sterrebeek, inhuldiging 12 oktober 1924

M. Hollemans (ontwerper), monument voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, J. M. Derscheidlaan, Sterrebeek, inhuldiging 12 oktober 1924

Jan Gerrits (beeldhouwer), monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, Sint-Guibertusplein, Itegem (Heist-op-den-Berg), inhuldiging 1922

Jan Gerrits (beeldhouwer), monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, Sint-Guibertusplein, Itegem (Heist-op-den-Berg), inhuldiging 1922

Aan het rouwproces wordt ook veel aandacht besteed: de gewonde of stervende soldaat vindt ondersteuning bij strijdmakkers of een medelijdende burger. Is deze laatste een vrouw dan is de assimilatie met een moeder of een geliefde vlug gemaakt. Expliciet wordt het nooit. Ondersteuning kan ook komen van een symbolische figuur. Naargelang de symboliek herkennen wij daarin het Vaderland, de Overwinning, de Vrede, een engel of zelfs Maria of Jezus. Beeldhouwers grijpen zelfs graag terug naar de traditionele opstelling van de piëta: de moeder treurend om haar overleden zoon, net als Maria voor Jezus; onderliggend is er de verwijzing naar het offer in beide gevallen.

Bij het uitbeelden van treurende wapenbroeders of burgers bestaat het gevaar dat de toon overslaat naar goedkope pathetiek. Komen kinderen in beeld dan is dat veel minder het geval. De emotie is hier zuiver, zonder zeemzoet sentiment. Het mooiste voorbeeld is wellicht het monument van Mol. Een schroomvol meisje gaat een ruiker bloemen neerleggen bij de herinneringsplaat van de gesneuvelden. Zij wordt aangemoedigd door een Kempische boerin. Een ingetogen werk van beeldhouwer Floris De Cuyper, met een degelijke architecturale opbouw van Emiel Van Averbeke, de Antwerpse stadsarchitect.

Variante op het thema van de kinderen: ze reiken de overwinnaar bloemen en een palmtak aan, zoals te Poperinge. Te Balen slaat Jules Bernaerts een intiemere toon aan. Twee meisjes luisteren aandachtig naar de uitleg die zij krijgen van een vrouw met een boek op de schoot. Wij weten uiteraard waarover zij het heeft: het offer van hun gevallen dorpsgenoten.

mol en borgloon

Rechts: Floris De Cuyper (beeldhouwer) en Emiel Van Averbeke (architect), monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, Markt, Mol, inhuldiging 1922 © GEMEENTEARCHIEF MOL / KAMER VOOR HEEMKUNDE

Links: De liggende soldaat van het herdenkingsmonument in Bommershoven (Borgloon) werd in 2003 voor de tweede keer door vandalen onthoofd, in 2007 werd het beeld hersteld. FOTO: PHILIPPE BEBROE, IN OPDRACHT VAN HET PROVINCIAAL CENTRUM VOOR CULTUREEL ERFGOED IN HET KADER VAN HET PROJECT LIMBURG 1914-1918

Ernest Wijnants, monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, Sint-Romboutskerkhof, Mechelen, inhuldiging 1924

Ernest Wijnants, monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, Sint-Romboutskerkhof, Mechelen, inhuldiging 1924

Egide Rombaux (beeldhouwer) en Léon Govaerts (architect), monument ter ere van de gesneuvelden en gedeporteerden van de Eerste wereldoorlog, Kalkmarkt, Tienen, inhuldiging 27 mei 1923

Egide Rombaux (beeldhouwer) en Léon Govaerts (architect), monument ter ere van de gesneuvelden en gedeporteerden van de Eerste wereldoorlog, Kalkmarkt, Tienen, inhuldiging 27 mei 1923

EEN ALLEGORIE

Voor de allegorische figuren van de Vrede, de Overwinning, de Roem blijken er geen eensluidende canons te bestaan. Zo is er een hemelsbreed verschil tussen de gevleugelde jonge vrouw met wapperende peplos op het monument in Tienen en de stevige vrouw met afwezige blik op het monument in Mechelen. De Tiense Nikè van Egide Rombaux, staand op kanonslopen, steekt dansend een krans in de lucht. In Mechelen plaatst Ernest Wijnants zijn monumentale vrouw met beide voeten op de grond. Het is niet duidelijk of zij met haar linkerhand een palmtak aanreikt; haar rechterarm hangt langs haar lichaam en omklemt een krans. Misschien toch geen Nikè, maar wie dan wel? Hoe aan de hand van een detail de perceptie kan veranderen: tegenover de jonge vrouw staat een soldaat, zonder helm. Het weglaten van dat hoofddeksel maakt van hem niet langer een strijder, wel een slachtoffer.

brullende leeuwen

Links: Juan Bury (beeldhouwer) en Ray Le Graives (architect), monument ter nagedachtenis van de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, Koningin Astridplein, Leopoldsburg, inhuldiging 11 november 1920 FOTO: JAN BELLEN, IN OPDRACHT VAN HET PROVINCIAAL CENTRUM VOOR CULTUREEL ERFGOED IN HET KADER VAN HET PROJECT LIMBURG 1914-1918

Rechts: Octave Rotsaert (beeldhouwer), monument voor de gesneuvelden van Adinkerke en Veurne-Bewesterpoort, Heldenweg, Adinkerke, inhuldiging 1922 © ARCHIEF GEMEENTE DE PANNE

DE HERALDISCHE LEEUW

Een niet-evidente opgave om het heraldisch symbool van het Vaderland op de juiste manier weer te geven. De meest eenvoudige oplossing lijkt het uitbeelden ervan als een op de achterste poten staande leeuw met weelderig gekrulde staart, zoals wij die kennen van op vaandels en schilden. Het blijkt dat buiten Huldenberg weinig gemeenten voor dit type voorstelling gekozen hebben. De meesten houden het bij een realistische uitbeelding. Dat is eigenlijk nog een grotere gok, want vaak valt het dier te klein uit, zittend boven op een piramide of lopend naast de figuur van het Vaderland, als een viervoeter zonder meer.

De oplossing waarvoor in Adinkerke geopteerd werd, is ook al niet bevredigend: naast een soldaat die dreigend een hoge borst op zet zit een behoorlijk grote leeuw op zijn achterwerk; zijn muil staat opengesperd in geluidloos gebrul. Verbazend, maar niet indrukwekkend.

Enkel het monument van Leopoldsburg kan overtuigen: een vervaarlijke en levensechte leeuw neemt een dreigende houding aan bovenop het puin van een vestingtoren; een werk van de Waalse beeldhouwer Juan Bury.

Pieter Braecke, IJzergedenkteken, Sluizencomplex, Nieuwpoort, inhuldiging in het eeuwfeestjaar 1930

Pieter Braecke, IJzergedenkteken, Sluizencomplex, Nieuwpoort, inhuldiging in het eeuwfeestjaar 1930

DE KROON

De kroon geldt als symbool voor het koningshuis en bij uitbreiding van het vaderland. Op het IJzermonument van Pieter Braecke in Nieuwpoort worden beide symbolen nog uit elkaar gehouden. Bovenaan het monument met een sterke verticale opbouw staat een vrouw met wapperend gewaad. Wie zij uitbeeldt wordt niet geduid door symbolische attributen. Het is haar daad die haar herkenbaar maakt. In een beschermend gebaar houdt zij een vergulde kroon tegen zich aan gedrukt. Het vaderland verdedigt haar kostbaarste bezit: de kroon.

De inhuldiging van een oorlogsmonument is een feestelijke aangelegenheid in de gemeente, zoals blijkt uit de talrijke foto’s en berichten in de pers.
Pieter Braecke, oorlogsgedenkteken, Stadhuisplein, Tongeren, inhuldiging door koning Albert en koningin Elisabeth op 29 augustus 1926

Pieter Braecke, oorlogsgedenkteken, Stadhuisplein, Tongeren, inhuldiging door koning Albert en koningin Elisabeth op 29 augustus 1926

DE HELM

De typische Adrianhelm, een Franse innovatie die ook door de Belgische troepen werd overgenomen, is een vast motief dat we op tal van monumenten terugvinden, al dan niet met lauweren omkranst. Uiteraard bekroont hij de demarcatiepalen langs het front. Dat geldt dan voor de plaatsen waar Belgen of Fransen het front hielden; in de Britse sector wordt de vlakke Britse helm gebruikt. Opmerkelijk is dat het thema van de helm samengebracht wordt met dat van het kind. In Grimbergen draagt een van de kinderen die opgewekt opstappen onder de hoede van de Overwinning een Adrianhelm. Wordt hiermee de weerbaarheid van de jeugd uitgebeeld?

Pieter Braecke geeft aan het thema een heel bijzondere invulling in het oorlogsmonument dat hij voor Tongeren ontwerpt. Boven op een herdenkingszuil torsen kleine kinderen een helm; enkele onder hen dragen kransen en bloemen. De jeugd eert het offer van de soldaat. Zij zal zijn taak overnemen. Het monument draagt een boodschap van hoop uit.

De inhuldiging van een oorlogsmonument is een feestelijke aangelegenheid in de gemeente, zoals blijkt uit de talrijke foto’s en berichten in de pers. Scholen houden optochten, cantates worden uitgevoerd en gelegenheidstoneelstukken opgevoerd. Een zee van vlaggen begeleidt de prominenten, burgerlijk en militair, de oud-strijders, de families van de gesneuvelden. De ceremonie wordt extra glans bijgezet door de hoedanigheid van de eregast. De aanwezigheid van een generaal of van een minister wordt als een troostprijs gezien. Een lid van de koninklijke familie is natuurlijk beter. Prins Leopold is zeer gevraagd. Topfavoriet is uiteraard de koning, of het koningspaar. In uitzonderlijke gevallen is heel de koninklijke familie aanwezig. Uiteraard worden alle handige middeltjes van het politieke spel gehanteerd om een zo aanzienlijk mogelijke eregast te pakken te krijgen. Koning Albert heeft er een erezaak van gemaakt oprechte waardering en empathie voor zijn soldaten te betuigen en heeft altijd de grootste omzichtigheid aan de dag gelegd in die aangelegenheden.

tienen en schellebelle

Links: Foto door de Tiense fotograaf Jean Leyssens van de inhuldiging van het monument op 27 mei 1923 in aanwezigheid van kroonprins Leopold © STADSARCHIEF TIENEN / HAGELANDS HISTORISCH DOCUMENTATIECENTRUM

Rechts: Inhuldiging van het oorlogsmonument in Schellebelle van beeldhouwer Jules Vits, in opdracht van de firma RombauxRoland, op 10 juni 1923 © HEEMKRING SCHELLEBELLE

MARKANTE MONUMENTEN

Glasraam van Maurice Langaskens in de Necropolis in Grimde

Glasraam van Maurice Langaskens in de Necropolis in Grimde

Kan over de honderden oorlogsmonumenten in ons land een esthetisch oordeel geveld worden? Binnen korte tijd is er een aanzienlijk aantal beelden geproduceerd. De kwaliteit is niet overal aanwezig. Dat heeft er alles mee te maken dat de financiële middelen niet altijd voorhanden zijn in een land dat berooid uit de oorlog kwam. Komt daar nog bij dat bij het goedkeuren van de ontwerpen conservatisme vaak de bovenhand heeft. De stijl leunt dus sterker aan bij het realisme dan bij modernere strekkingen. Zelfs een avant-gardist als Oscar Jespers grijpt in zijn monument uit 1923 terug naar een vormgeving die haaks staat op zijn overige productie uit die tijd (zie blz. 5).

In het beste geval is een oorlogsmonument de vrucht van de samenwerking tussen een beeldend kunstenaar en een architect. Het is dus een constructie die een interactie met zijn omgeving betracht. Op een goed gekozen plek kan het resultaat best bevredigend zijn. Als er dan nog voor enige aansluiting met de eigentijdse stijlen gekozen wordt, dan valt het resultaat des te meer op. Zo kan het Martelarenmonument in Leuven stilistisch gerekend worden tot de art deco en de IJzertoren in Diksmuide tot een gematigd modernisme. Het voetstuk dat Victor Horta ontwerpt voor Braeckes IJzermonument sluit aan bij de sobere monumentale stijl van zijn paviljoen op de Exposition des Arts Décoratifs in Parijs en later terug te vinden in zijn Paleis voor Schone Kunsten in Brussel.

Necropolis in Grimde bij Tienen

Necropolis in Grimde bij Tienen

NECROPOLIS GRIMDE (TIENEN)

Necropolis is een geslaagd herinneringsmonument van de Groote Oorlog en tevens een toonbeeld van valorisatie van het bouwkundig patrimonium, al was dat aanvankelijk niet de bedoeling.

Het kerkje van het gehucht Grimde bij Tienen, opgetrokken in romaanse en gotische stijl, deed tot in de negentiende eeuw dienst als parochiekerk. Bij het uitbreken van de oorlog was het een leegstaande ruïne, gereed voor de sloop. In de loop van 1915 werden er Belgische soldaten begraven die tijdens de gevechten rond Tienen gesneuveld waren. Na de oorlog werd de bestemming als begraafplaats bestendigd. Onder leiding van de Brusselse architect Léon Govaerts werd de kerk gerenoveerd en het interieur ingericht als een homogene rouwkapel. De graven kregen allemaal een identieke vormgeving, als symbool voor de gelijkheid in offer en dood. In de viering hangt een houten kruisbeeld van de zegevierende Christus, een werk van Geo Verbanck in zijn typische art deco-stijl.

‘Verheffing van de held’, ‘Oorlog’, ‘Vrede’ zijn de hoofdthema’s waarin de kunstenaar de lijdende soldaat een centrale plaats geeft.

Sfeerbepalend zijn de glasramen van Maurice Langaskens. De kunstenaar heeft handig gebruik gemaakt van de specifieke raamopeningen van de middeleeuwse kerk: kleine romaanse vensters, lancetramen en grotere gotische ramen in de dwarsbeuk. In de kleine openingen passen individuele uitbeeldingen van rouwende figuren: soldaten, moeders, ouderlingen, wezen. Grotere symbolische taferelen komen tot hun recht in de grotere ramen die een meer verticale accentuering mogelijk maken. De compositie van de symbolische taferelen speelt trouwens erg in op dat verticale.

‘Verheffing van de held’, ‘Oorlog’, ‘Vrede’ zijn de hoofdthema’s waarin de kunstenaar de lijdende soldaat een centrale plaats geeft. Langaskens heeft zelf de oorlog aan den lijve meegemaakt. Daarom ook legt hij de nadruk op het laatste glasraam, dat van de Vrede. Het stelt een soldaat voor, in biddende houding geknield voor de Maagd van de Vrede. Langaskens brengt zijn boodschap met ingehouden pathos die hier wel op zijn plaats is, gebruik makend van een warm coloriet dat troost en hoop uitstraalt.

Marcel Wolfers (beeldhouwer) en Achilles De BondtBoelens (architect), Martelarenmonument, Martelarenplein, Leuven, inhuldiging 1925

Marcel Wolfers (beeldhouwer) en Achilles De BondtBoelens (architect), Martelarenmonument, Martelarenplein, Leuven, inhuldiging 1925 

MARTELARENMONUMENT LEUVEN

Voluit is dit het Monument ter Ere van de Slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, maar de benaming Martelarenmonument is helemaal ingeburgerd. Het is een creatie van architect Achilles De Bondt-Boelens. Marcel Wolfers, zoon van Philippe Wolfers, een al even veelzijdig artiest als zijn vader, stond in voor het beeldhouwwerk. Bij de meeste monumenten ligt de klemtoon op de visuele trouvaille van de beeldhouwer. In dit monument kunnen wij zeggen dat de verdienste gelijkmatig verdeeld is. De inbreng van de architect is beeldbepalend; de beeldhouwer heeft zijn bijdrage perfect op het basisconcept afgestemd.

In het concept van De Bondt ligt de klemtoon op de geometrische volumes, typisch voor de art deco vormgeving. Twee schrijlings op elkaar geplaatste driehoekige sokkels dragen een zeszijdige torenschacht, met bovenaan drie vergulde beelden. De functie van baken wordt beklemtoond door een lantaarn als bekroning van de toren. De architect heeft door de ogenschijnlijke eenvoudige opbouw een duidelijk afleesbaar monument gecreëerd; de beeldhouwer heeft het aangevuld met een kroniek. De toren houdt de herinnering levend aan de gruwelijke verwoesting van Leuven in 1914. Op bronzen tafels staan de talrijke namen van de burgerslachtoffers.

Meer nog dan die namenlijst spreken de bas-reliëfs op het monument tot de verbeelding. Het onderste register detailleert genadeloos de gruweldaden van de dolgedraaide soldaten. Op een hogere verdieping zien wij drie andere aspecten van de oorlog: vluchtelingen, het lot van de gijzelaars en de triomftocht van de terugkerende soldaten. Bovenaan drie vergulde figuren, de symbolische voorstelling van Hoop, Gerechtigheid en Vaderlandsliefde. Ook Wolfers hanteert een art deco idioom. En of de boodschap duidelijk was: tijdens de Tweede Wereldoorlog verwijderen de Duitsers de bas-reliëfs die hun wandaden vertellen van het monument. Bij een recente restauratie werd het monument in zijn oorspronkelijke luister hersteld, inclusief de gewraakte bas-reliëfs.

bushalte leuven
Pieter Braecke, IJzergedenkteken, Sluizencomplex, Nieuwpoort, inhuldiging in het eeuwfeestjaar 1930

Pieter Braecke, IJzergedenkteken, Sluizencomplex, Nieuwpoort, inhuldiging in het eeuwfeestjaar 1930

IJZERMONUMENT NIEUWPOORT

Het IJzermonument aan het sluizencomplex van Nieuwpoort was bedoeld als het ultieme gedenkteken van de strijd aan de IJzer, vandaar zijn plaatsing vlak bij de plek waar de onderwaterzetting van de polders jarenlang werd geregeld.

Beeldhouwer Pieter Braecke, een van de drijvende krachten achter de hele herinneringsbeweging, heeft talrijke oorlogsmonumenten ontworpen, waaronder die van Aarschot, Tongeren, Oostende en zijn geboortestad Nieuwpoort. Voor dit laatste en voor het IJzermonument werkte hij samen met zijn goede vriend architect Victor Horta. Zij waren op dat vlak niet aan hun proefstuk toe. Het slanke voetstuk van Horta onderlijnt de monumentaliteit van de vrouwenfiguur, de symbolische voorstelling van het Vaderland dat de Kroon beschermt. Aan de voet van het beeld, een herinnering aan de rauwe realiteit van de oorlog. Vier soldaten achter een symbolische borstwering: een weerbare soldaat, een verminkte, een zieke, een blinde. Hun helmen zijn met lauweren omkranst, een magere troost.

De omgeving beantwoordt spijtig genoeg niet meer aan het oorspronkelijk opzet: een beeld dat een open vlakte domineert en boven de sluizen uittorent. Nu staat het omgeven door bomen en in de schaduw van het veel grotere Koning Albert 1 monument.

nieuwpoort sluizencomplex
Julien De Ridder (architect) en Karel Aubroeck (beeldhouwer van het ruiterstandbeeld en de allegorische voorstellingen in bas-reliëf), monument als hulde aan alle Belgische frontsoldaten en hun aanvoerder, de koning-ridder, Kustweg (Sluizencomplex De Ganzepoot), Nieuwpoort, inhuldiging 24 juli 1938 (op de voorgrond een detail van het Britse Nieuport Memorial)

Julien De Ridder (architect) en Karel Aubroeck (beeldhouwer van het ruiterstandbeeld en de allegorische voorstellingen in bas-reliëf), monument als hulde aan alle Belgische frontsoldaten en hun aanvoerder, de koning-ridder, Kustweg (Sluizencomplex De Ganzepoot), Nieuwpoort, inhuldiging 24 juli 1938 (op de voorgrond een detail van het Britse Nieuport Memorial)

KONING ALBERT I - MONUMENT NIEUWPOORT

Het Koning Albert I-monument is nooit bedoeld als een oorlogsmonument. Het kwam er als een huldebetoon van de oud-strijders aan hun overleden vorst. Het werd in 1938 in aanwezigheid van de voltallige koninklijke familie ingehuldigd. Zodoende is het toch nog een orgelpunt geworden van de talrijke manifestaties om de oorlog te gedenken. Dit monument is apart; het draagt een gelaagde symboliek. Vooreerst is de site oordeelkundig gekozen: op het uiterste punt van het front. Architect Julien De Ridder heeft een cirkelvormige open structuur ontwikkeld rond het ruiterbeeld van de koning, een creatie van Karel Aubroeck.

De beeldhouwer heeft de klemtoon gelegd op de vastberadenheid en de waardigheid van de koning. De militaire symboliek heeft hij tot een minimum herleid en dat is hem behoorlijk kwalijk genomen. Het monument staat niet enkel op het front, het draagt de oorlogsherinneringen in zich. De bakstenen zijn gebakken uit klei afkomstig uit de frontstreek. Daardoor zitten er onzuiverheden in die niets anders zijn dan stukken schrapnel of andere munitie. Toch draagt het ook een boodschap van hoop. Op de fries aan de buitenkant van het monument heeft Aubroeck een evocatie gebracht van de welvaart en het dynamisme van het land: wetenschap, handel, mijnbouw, het werk op zee en in de kolonies. Een boodschap van hoop, ondanks de zware crisistijd, ondanks de oorlogsdreiging.

Sinds 2014 herbergt de crypte onder het monument het museum Westfront Nieuwpoort, met de klemtoon op de onderwaterzetting van de IJzervlakte. Het IJzerpanorama van Bastien wordt hier op optimale wijze gevaloriseerd. Vermits het tentoonstellen van het gehavend origineel niet meer verantwoord is, werd gekozen voor een dynamische projectie van een fotografische reproductie van het werk, aangevuld met randinformatie.

OORLOGSMONUMENT ANTWERPEN

Het Antwerps oorlogsmonument van beeldhouwer Edward Deckers is een der grootste in ons land. Het telt drie beeldengroepen, op voetstukken van verschillende hoogte, samen opgesteld op een golvende plint. Het is een huzarenstuk om een ontwerp van die omvang tot een goed einde te hebben gebracht. De meeste grandioze projecten zijn roemloos ondergegaan bij gebrek aan financiële middelen.

Edward Deckers (beeldhouwer) en Compagnie des Bronzes Bruxelles (bronsgieter), monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, hoek Rubenslei en Van Eycklei aan de rand van het Stadspark, Antwerpen, inhuldiging 21 april 1930

Edward Deckers (beeldhouwer) en Compagnie des Bronzes Bruxelles (bronsgieter), monument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, hoek Rubenslei en Van Eycklei aan de rand van het Stadspark, Antwerpen, inhuldiging 21 april 1930

Dit beeld is opmerkelijk omwille van de dynamiek die Deckers erin gelegd heeft. Centraal staat de koning, in een fiere houding gezeten op een vurig paard. Hij is een toonbeeld van onverzettelijkheid. Links van hem een groep soldaten, aangeslagen, maar hoopvol naar hun aanvoerder opkijkend. Voor de gesneuvelde komt alle hoop te laat, een gewonde wordt ondersteund; een tweetal houdt het vaandel hoog. Hier is alles een en al beweging. Aan de overkant zit een verstilde groep. Dit zijn de burgers, slachtoffers van het oorlogsgeweld. Een oude vrouw ondersteunt een stervende, of een dode – wij weten het niet; een angstige vrouw trekt een verward kind naar zich toe.

In de jaren 1950 werd het monument van zijn oorspronkelijke locatie aan de Nationale Bank op de Frankrijklei verplaatst naar het Stadpark, waar het uitstekend tot zijn recht komt. Een meevaller, want meestal zijn die verplaatsingen geen verbetering, wel integendeel.

stadspark
De IJzertoren in 1931 met de beelden van Karel Aubroeck

De IJzertoren in 1931 met de beelden van Karel Aubroeck

De IJzertoren in 1930 nog zonder de beelden van Karel Aubroeck

De IJzertoren in 1930 nog zonder de beelden van Karel Aubroeck

IJZERTOREN DIKSMUIDE

Door de steeds groeiende belangstelling voor de bedevaarten naar de graven aan de IJzer ontstond de idee voor het oprichten van een groot monument als hulde aan alle Vlaamse gesneuvelden. De ontwerpers Robert en Frans Van Averbeke vonden inspiratie bij de Vlaamse heldenhuldezerkjes ontworpen door Joe English, inclusief de spreuk AVV-VVK.

De toren zou als een soort uitvergroting van een grafmonument fungeren; oorspronkelijke tekeningen van English gaven al een hint in die richting. De toren, 52 meter hoog, werd tijdens een woelige viering ingehuldigd op 28 augustus 1930. Belgicisten zagen het als een anti-Belgische provocatie, met antimilitaristische inslag. Vier expressionistische beelden van Karel Aubroeck gedenken op de vier hoeken figuren van Vlaamse helden.

Het monument werd niet gespaard van oorlogsgeweld. Beschadigd tijdens de meidagen van 1940, werd het vlak na de oorlog door ‘onbekenden’ vakkundig opgeblazen. De ruïne van de oorspronkelijke toren bleef bewaard. Een nieuwe toren werd ernaast gebouwd en in 1965 ingehuldigd. Het huidig monument blijft trouw aan de vormgeving van het origineel, maar is op een grotere schaal uitgevoerd. Met zijn 85 meter domineert het nog meer zijn omgeving.

Het Monument des Combattants in Andenne (beeldhouwer Angelo Hecq), ingehuldigd op 26 oktober 1930, toen nog omringd door oorlogstuig

Het Monument des Combattants in Andenne (beeldhouwer Angelo Hecq), ingehuldigd op 26 oktober 1930, toen nog omringd door oorlogstuig

VERVAL EN VANDALISME

Al wordt er niet getornd aan de herdenking van de gesneuvelden, toch worden de monumenten niet altijd met voldoende eerbied behandeld. Het is niet ongewoon dat bij wegeniswerken, nieuwe aanleg van gemeenteplein of uitbreiding van parkings het monument zonder meer en zonder al te veel inzicht verplaatst wordt, waardoor het zijn prominente plaats in het straatbeeld moet prijsgeven.

Een nieuwe wereldoorlog heeft ook zijn sporen nagelaten. Sommige monumenten werden door de Duitsers als kwetsend ervaren en door hen verminkt of zelfs vernield. Dat was ook een goede gelegenheid om oud oorlogstuig dat er rond stond opgesteld, zoals kanonnen of mortieren, weg te halen.

Na 1945 werden meestal geen nieuwe monumenten opgericht. De namen van de slachtoffers werden op het bestaande monument toegevoegd, waar er nog plaats gevonden werd. In enkele gevallen werd het monument uitgebreid, maar doorgaans werd voor de gemakkelijkste oplossing gekozen.

In Oostende werden in 1968 de reliëfs uit het oorspronkelijke monument (zie hiernaast) verwerkt in een geactualiseerd gedenkteken, de bronzen soldaat belandde na enkele omzwervingen in het museum De Plate

In Oostende werden in 1968 de reliëfs uit het oorspronkelijke monument (zie hiernaast) verwerkt in een geactualiseerd gedenkteken, de bronzen soldaat belandde na enkele omzwervingen in het museum De Plate 

Pieter Braecke (beeldhouwer) en Victor Creten (arhitect), monument voor de militaire en burgerlijke slachtoffers, Sint-Petrus en Sint-Paulusplein, Oostende, inhuldiging 3 september 1922

Pieter Braecke (beeldhouwer) en Victor Creten (arhitect), monument voor de militaire en burgerlijke slachtoffers, Sint-Petrus en Sint-Paulusplein, Oostende, inhuldiging 3 september 1922

Nu treden ook tekens van verval op. Niet voor alle monumenten werd bij de bouw een beroep gedaan op een architect om samen met de beeldhouwer het geheel op een verantwoorde wijze gestalte te geven. Insijpelend water was vaak de grote boosdoener, gevolgd door foute materiaalkeuze.

Het groots opgezette oorlogsmonument van Oostende werd in 1968 ontmanteld omdat het begon over te hellen, met reëel instortingsgevaar. Onderdelen ervan werden in een totaal nieuw monument geïntegreerd. Het monument dat oorspronkelijk sterk verticaal was geconcipieerd heeft plaats gemaakt voor een rustiger horizontaal concept. Hierin was geen plaats meer voor het bekronend bronzen overwinningsbeeld. Dat belandde noodgedwongen in het plaatselijk museum. Vandalen onthoofden het beeld van een sluipende soldaat in het eigenzinnig oorlogsmonument van Bommershoven (zie blz. 26). Een goedbedoelde restauratie is niet erg overtuigend.

Het kan nog erger als metaaldieven het op het brons gemunt hebben. Aan hen is de herdenking van welke aard ook niets gelegen. Erger dan in het Waalse Ghlin kan het niet: daar lieten de dieven enkel de stenen sokkel ongemoeid…

In de appreciatie is gelukkig een kentering gekomen in de aanloop van de herdenking van honderd jaar Eerste Wereldoorlog. Tal van oorlogsmonumenten genieten nu wettelijke bescherming.

THEMA AD INFINITUM

Frederick Chapman Clemesha, The Brooding Soldier, monument voor de Canadese soldaten die het leven lieten tijdens de Tweede Slag om Ieper, Vanvouver Corner, Sint-Juliaan (Langemark-Poelkapelle), inhuldiging 8 juli 1923

Frederick Chapman Clemesha, The Brooding Soldier, monument voor de Canadese soldaten die het leven lieten tijdens de Tweede Slag om Ieper, Vanvouver Corner, Sint-Juliaan (Langemark-Poelkapelle), inhuldiging 8 juli 1923

Uiteraard kon het niet de bedoeling zijn in dit kort bestek een volledig overzicht te geven van het gehele erfgoed dat met de Groote Oorlog gerelateerd is.

De oorlog was de aanleiding tot het ontwerpen van oorkonden, medailles en plaketten, vaandels, affiches en diploma’s, veelal het werk van verdienstelijke onbekenden, maar soms dient zich ook een bekende naam aan: Walter Sauer, Godfried Devreese, Fernand Khnopff, Charles Samuel.

In schilderijen wordt de militaire thematiek ook aangeroerd. De werken zijn zelden overtuigend, ondanks de goede bedoelingen, ondanks de grote formaten. Een fetisjist van de militaire uniformen gelijk James Thiriar kan zich wel uitleven in het nauwgezet uitbeelden ervan, vooral van de oudere kleurrijke uitrustingen. Hij zal het wel als een opperste vorm van erkenning beschouwd hebben toen de rijkswacht hem in 1938 aanzocht voor het ontwerpen van het uniform voor de koninklijke escorte te paard dat tot op vandaag nog gedragen wordt.

Even vrolijk als op het origineel blaast de guitige knaap op zijn speelgoedfluitje, omringd door sierlijke elfjes, nieuwsgierige konijntjes en aandachtige kinderen.
Charles Sargeant Jagger (beeldhouwer), monument voor de Britse erkentelijkheid jegens de Belgische natie, Poelaertplein, Brussel, inhuldiging 1923

Charles Sargeant Jagger (beeldhouwer), monument voor de Britse erkentelijkheid jegens de Belgische natie, Poelaertplein, Brussel, inhuldiging 1923

De talrijke Franse, Britse en Amerikaanse oorlogsmonumenten verdienen ongetwijfeld een apart overzicht. Inhoudelijk en stilistisch vertellen zij een eigen verhaal. De Britten hanteren een eenvormig en duidelijk herkenbaar idioom zowel bij de begraafplaatsen als bij de herinneringsmonumenten. Zo is er een duidelijke verwantschap tussen de monumentale ‘Canadees’ (Brooding Soldier) in Sint-Juliaan (Langemark) en de rouwende soldaten op het Brits oorlogsmonument tegenover het justitiepaleis in Brussel. De Menenpoort in Ieper en het memoriaal in Ploegsteert brengen zonder grootspraak hulde aan de talloze slachtoffers wier stoffelijke resten nooit werden teruggevonden en die voor altijd verbonden blijven met de grond waar zij gevochten hebben.

Marcel Wolfers (beeldhouwer) en Jean Hendrickx (architect), gedenkteken Georges Guynemer, Guynemerplein, Langemark-Poelkapelle, inhuldiging 8 juli 1923

Marcel Wolfers (beeldhouwer) en Jean Hendrickx (architect), gedenkteken Georges Guynemer, Guynemerplein, Langemark-Poelkapelle, inhuldiging 8 juli 1923

Franse monumenten hebben een minder ingehouden stijl. De thematiek is vaak gelijklopend met die van de Belgische monumenten. Een aantal ervan werd trouwens door Belgische kunstenaars ontworpen en uitgevoerd: Marcel Wolfers tekende voor het monument voor de luchtheld Guynemer in Poelkapelle, Jules Bernaerts voor dat van de Franse marine-fuseliers in Melle, Mathieu Desmaré voor dat van de Franse Onbekende Soldaat in Laken.

Minder talrijk zijn de Duitse monumenten. De Duitse gesneuvelden werden van 39 diverse plaatselijke begraafplaatsen op enkele grotere samengebracht. Bij de schaarse monumenten springt het Treurende Ouderpaar van Käthe Kollwitz op het militair kerkhof in Vladslo het meest in het oog. Met een treffende directheid legt dit tijdloos meesterwerk getuigenis af van de onpeilbare ellende die elke oorlog teweegbrengt. En in de Waalse gemeente Ecausinnes staat een kolossaal beeld van een knielende Griekse strijder, een hopliet. Het was bedoeld om aan de IJzer als een Duits overwinningsmonument te fungeren. Het is onafgewerkt en heeft de plek waarop de Berlijnse kunstenaar Fritz Rasselbert het gekapt heeft nooit verlaten.

George Frampton, Peter Pan, exacte kopie in 1924 door de kunstenaar aan de stad Brussel geschonken, ter herinnering aan de vriendschapsbanden tussen kinderen van België en Groot-Brittannië, Egmontpark, Brussel

George Frampton, Peter Pan, exacte kopie in 1924 door de kunstenaar aan de stad Brussel geschonken, ter herinnering aan de vriendschapsbanden tussen kinderen van België en Groot-Brittannië, Egmontpark, Brussel

Hoe dit bondig overzicht van de herdenkingen van de Groote Oorlog afsluiten? Misschien met een boodschap van optimisme en geloof in de toekomst. Na 1918 was het ondanks alle misère niet anders. Daarom vestigen we graag even de aandacht op een monument dat de oorlogsthematiek links laat liggen, maar toch rechtstreeks verband houdt met de Groote Oorlog. Door zijn locatie is het amper bekend. Wie het zien wil moet ernaar op zoek gaan en dat verhoogt zijn charme.

Het bevindt zich in het Egmontpark in Brussel, een groene oase tussen het gelijknamig paleis en de drukke Gulden Vlieslaan. Het stelt geen oorlogshelden voor, maar wel de held van de kinderlijke fantasie: Peter Pan. Het is een afgietsel van het wereldberoemde beeld van Sir George Frampton in Kensington Garden te Londen. De kunstenaar schonk het in 1924 aan de stad Brussel, om de herinnering aan de vriendschapsbanden tussen de kinderen van België en die van Groot-Brittannië levendig te houden. Even vrolijk als op het origineel blaast de guitige knaap op zijn speelgoedfluitje, omringd door sierlijke elfjes, nieuwsgierige konijntjes en aandachtige kinderen.

Een eredetachement van de Franse school voor marinefuseliers in Lorient en een delegatie van het Franse commando- en landingsschip BPC Dixmude namen in oktober 2014 deel aan de herdenkingsplechtigheid bij het monument voor de gesneuvelde Franse marinefuseliers in Melle

Een eredetachement van de Franse school voor marinefuseliers in Lorient en een delegatie van het Franse commando- en landingsschip BPC Dixmude namen in oktober 2014 deel aan de herdenkingsplechtigheid bij het monument voor de gesneuvelde Franse marinefuseliers in Melle

Het plaasteren model van de beeldengroep die Jules Vits realiseerde voor de Leopoldkazerne in Gent (zie blz. 15) en van verschillende onderdelen, zoals de levensgrote soldaat, zijn te zien in de tentoonstellingsruimte rond het werk van de kunstenaar in het Gemeentelijk Museum Melle

Het plaasteren model van de beeldengroep die Jules Vits realiseerde voor de Leopoldkazerne in Gent (zie blz. 15) en van verschillende onderdelen, zoals de levensgrote soldaat, zijn te zien in de tentoonstellingsruimte rond het werk van de kunstenaar in het Gemeentelijk Museum Melle

Praktisch

Musea

Werken van de in dit nummer behandelde kunstenaars zitten in de collecties van de grote kunstmusea van ons land. Sommige lokale musea tonen interessante stukken in verband met herdenkingsmonumenten van bepaalde kunstenaars. Het Gemeentelijk Museum Melle heeft een tentoonstellingsruimte rond het werk van Jules Vits met onder andere modellen en maquettes van zijn oorlogsmonumenten. Die van Aloïs De Beule zijn te vinden in het Museum Zeels Erfgoed, waar de kunstenaar een eigen museumvleugel heeft.

Gemeentelijk Museum Melle, Brusselsesteenweg 393-395, 9090 Melle, tel. 09 252 26 47

Museum Zeels Erfgoed, Lokerenbaan 43, 9240 Zele, tel. 052 44 50 69

IJZERPANORAMA

De projectie van een gedeelte van het IJzerpanorma van Alfred Bastien is te zien in het Bezoekerscentrum Westfront Nieuwpoort, Kustweg 2, 8620 Nieuwpoort, tel. 058 23 07 33, 

NECROPOLIS GRIMDE

Van april t.e.m. september: open van 8 tot 18 uur Van oktober t.e.m. maart: open van 8 tot 17 uur

TENTOONSTELLINGEN

Het In Flanders Fields Museum maakt een bilan op van de Eerste Wereldoorlog met de tentoonstelling To end all wars? Toen op 11 november 1918 het Duitse Rijk en de Geallieerden een Wapenstilstand ondertekenden, werd gezegd dat hiermee een einde kwam aan de oorlog die een einde aan alle oorlogen zou maken. Niets was minder waar. De oorlog eindigde in West-Europa, maar niet in het oosten van Europa. De vrede die erop volgde na de conferentie van Parijs zou geen einde maken aan oorlogen, maar juist oorzaak zijn van vele latere conflicten. De oorlog om alle oorlogen te beëindigen zou slechts een Eerste Wereldoorlog worden, en de laatste aan Versailles 1919 gelieerde conflicten lijken vandaag nog niet uitgeraasd. 

In deze tentoonstelling worden de kaarten op tafel gelegd. De kaarten van de oorlog, de laatste veldslagen die tot de Wapenstilstand leidden, en de kaarten van de nieuwe wereldorde die erop volgde. Daarin verdwenen oude rijken, en werden nieuwe landen uitgetekend. Lijnen op kaarten beslisten over de nieuwe toekomst van honderden miljoenen mensen. Net zoals al zo vaak in de oorlog was aangetoond, bleken die lijnen voor velen in de eerste plaats strepen door de rekening. ‘To end all wars? Een bilan van WO1’, nog t.e.m. 15 november 2019, In Flanders Fields Museum, Grote Markt, Ieper, tel. 057 23 92 20

Het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis focust op het decennium na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Met de tentoonstelling De Groote Oorlog voorbij: 1918-1928 gaat het dieper in op verschillende grote thema’s: het eindoffensief, de bevrijding, de periode kort na de oorlog, de geopolitieke omwentelingen, de economische heropbouw, het rouwproces en de herinnering, de politieke, sociale en culturele veranderingen. ‘De Groote Oorlog voorbij: 1918-1928’, nog t.e.m. 22 september 2019, Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis, Jubelpark, Brussel, tel. 02 737 78 02

Download hier de pdf

De Groote Oorlog herdacht