U bent hier

Abraham Janssens - De Mens bezwijkend onder de Lasten van de Tijd wordt bijgestaan door Hoop en Geduld

Abraham Janssens - De Mens bezwijkend onder de Lasten van de Tijd

Bedenkingen over het verloop van het menselijk leven behoorden niet alleen tot het domein van de bespiegelende geschriften, maar werden ook veelvuldig in de plastische kunsten tot uiting gebracht door middel van ingewikkelde allegorische voorstellingen. Twee types zijn hierbij te onderscheiden. Een eerste benadrukt het fysieke aspect en toont welke leeftijden de mens doorloopt van kind tot grijsaard. Variërend in aantal van drie tot negen, worden deze leeftijden uitgebeeld door personages die opgesteld zijn op stijgende en dalende trappen, of optreden als handelende figuren in een compositie. Een tweede, meer spiritueel gerichte zienswijze was eveneens zeer geliefd en algemeen verspreid: het afbeelden van het menselijk leven als een reis. Gewoonlijk is het onderwerp moraliserend opgevat en wordt er geleerd dat de mens voor de keuze staat van twee wegen. Antiek geïnspireerd is het bekende thema van Hercules op de tweesprong, de mythologische held die moet kiezen tussen deugd en wellust. Andere voorbeelden gaan terug op de woorden van Christus en de eigentijdse vrome literatuur. De mens wordt uitgebeeld als een pelgrim die twee wegen kan bereizen: de brede, gemakkelijke die naar het verderf leidt en de smalle, moeilijke die leidt naar het Leven. Soms ontmoet hij op zijn weg deugden of ondeugden die hem in goede of kwade zin trachten te beïnvloeden. Zeer vele varianten op dit reis-thema vinden wij terug in de literatuur en in de verscheiden takken van de kunst. Een minder bekende uitbeelding van de levensloop geeft het hier te bespreken schilderij van Abraham Janssens, waarin zowel het indelen in leeftijden als het reis-idee voorkomt. De mens is hier eveneens een pelgrim. Zonder metgezellen en halfnaakt, met als enig bezit zijn pelgrimsstaf en wandellaarzen, onderneemt hij de moeilijke reis van het leven. Er is echter maar één weg en er staat hem geen hemel of hel te wachten. De kleine tafereeltjes op de achtergrond leren ons zijn verleden en zijn toekomst. Rechts zien wij hem als kind vertrekken, bij het licht van de opkomende zon. Een oude vrouw geeft hem de mand mee die hij levenslang zal moeten dragen en die zwaarder zal worden met de tijd. Het hoofdgebeuren op de voorgrond toont de mens op middelbare leeftijd, als hij de helft van zijn tocht heeft afgelegd. De last is reeds zo zwaar geworden dat hij eronder dreigt te bezwijken. Hij wordt niet gespaard door de meedogenloze Tijd. Deze wordt traditioneel voorgesteld als een gevleugelde oude man met lange witte baard en een zeis in de hand. Zijn kroon van veldvruchten en fruit wijst erop dat hij de koning is van de seizoenen. Uit zijn mand neemt hij een grote steen en legt hem bij de last van de vermoeide mens die er schijnt over na te denken zijn reis op te geven. Maar twee allegorische personages komen hem ter hulp. Het zijn Geduld en Hoop, twee christelijke deugden die de mens bijstaan op zijn moeilijke levensweg. Het Geduld, 'Patientia', de nederige deugd met neergeslagen ogen en met het lijdzame lam als attribuut, knielt neer om de zware mand te ondersteunen en voor de mens te verlichten. De Hoop, 'Spes', gevleugeld en met korenaren in het haar, komt vol medeleven op hem toe en schijnt hem moed in te spreken. Aan haar voeten bevindt zich haar attribuut, het anker. Het eindpunt van de reis speelt zich af bij ondergaande zon. Verwelkomd en omhelsd door een oude vrouw keert de mens terug tot de grot, de schoot der aarde, terwijl de dood, een geraamte, hem eindelijk bevrijdt van zijn zware last. Hoewel er verschillende raakpunten zijn met de gebruikelijke voorstellingen, kon de bron van deze interessante, maar wat vreemde allegorie nog niet worden achterhaald. Van hetzelfde onderwerp zijn, zover wij konden nagaan, slechts twee andere voorbeelden bekend, beide eveneens behorend tot de Antwerpse school, maar vroeger te dateren. Mogelijk werden ze rechtstreeks door Abraham Janssens nagevolgd. Een zeer verwante uitbeelding, waarop wij dezelfde personages herkennen en ook dezelfde achtergrond-tafereeltjes, wordt toegeschreven aan Jacob de Backer. De compositie moet enige populariteit genoten hebben, want ze is in een aantal versies bewaard (Ermitage te Leningrad, Joanneum te Graz, en New Yorkse kunsthandel). Het tweede voorbeeld, een tekening toegeschreven aan Adam van Noort (in Londens privé-bezit), toont een variant met meer uitgesproken religieus karakter. Patientia houdt een kruis in de hand en op de achtergrond ontwaart men een kerkgaande menigte. In het schilderij van 1609, dat hier wordt beproken, komen de grote picturale kwaliteiten van Abraham Janssens tot uiting. Op een zeer persoonlijke manier ontleent hij elementen aan drie verschillende stijlrichtingen, het 16de-eeuws maniërisme, de kunst van Caravaggio en het classicisme, en verwerkt ze tot een eigen stijl waarin het decoratieve karakter overweegt. Nog aansluitend bij het maniërisme is niet alleen het ingewikkeld allegorisch onderwerp, maar zijn ook de gezochte houdingen van de personages. Op wat artificiële wijze zijn ze tot een geometrische figuur samengebracht, die op de voorgrond geschoven is en de ruimte vult. Andere reminiscenties aan deze stijlrichting zijn de ingewikkelde versierende details en het lichtspel over de grillig gebroken vlakken van de draperingen. De vernieuwende kenmerken zijn echter belangrijker en hebben het overwicht. Ook zij staan ten dienste van het decoratieve. In Italië had Abraham Janssens werken gezien van Caravaggio en hij was bij de eersten om in het Noorden elementen van deze kunst over te nemen en te verwerken. Deze beïnvloeding uit zich in de grote plasticiteit van de vormen - de figuren zijn als beelden gemodelleerd -, en een sterk licht-donker contrast met gebruik van slagschaduwen. Daarnaast uit zich een streven naar veredeld classicisme, een gevoel voor verheven schoonheid. De vormen zijn eenvoudig en duidelijk afgelijnd, mooi getekend. De vlakken zijn hoofdzakelijk in locale kleuren weergegeven. Ca. 1605-1615 heeft Janssens zich een eigen stijl gecreëerd en de werken uit deze periode zijn zonder twijfel de interessantste uit zijn oeuvre. Andere voorbeelden van deze richting, in een even onberispelijke techniek, maar nog volmaakter in evenwicht en eenvoudiger naar de vorm zijn 'Scaldis en Antwerpia' (O.K.V. 1969 nr 4) en 'Vrede en Overvloed binden de Pijlen van de Oorlog samen' (1614, Museum te Wolverhampton). Janssens staat op dat ogenblik aan het toppunt van zijn artistieke vermogens en wordt in Antwerpen nog even hoog geschat als de twee jaar jongere Pieter Paul Rubens. Naast de grote kwaliteiten zijn echter eveneens zijn beperkingen in deze stukken reeds duidelijk. Hoewel hij door de rijke materie, door de maniëristische details en de levendige kleurenpracht ontsnapt aan academische koelheid, zijn zijn werken niet vrij te pleiten van een zekere intellectualistische gezochtheid, die weinig verdere mogelijkheden kan bieden. De aard van de onderwerpen komt aan zijn persoonlijke begaafdheid tegemoet: het zijn decoratieve stukken, uitgedacht in de beweging, maar tegelijk statisch, zonder eigenlijke handeling. Zijn kunst mist vitaliteit en zal dan ook weldra door Rubens worden overschaduwd.